
Le Cairn de Barnenez ***Het oudste gebouw ter wereld staat in Bretagne
Het zou een triviantvraag kunnen zijn: waar staat het oudste gebouw van de wereld waar je nu nog in kan staan? Tot een paar weken geleden zou ik hebben gegokt op Irak of Turkije maar het staat gewoon in Frankrijk. Toen ik dit ging uitzoeken ontdekte ik tot mijn verbazing dat negen van de tien oudste gebouwen in Europa staan en de gehele top drie in Frankrijk. Zo’n uitslag doet bijna denken aan valsspel.
Hoewel dit soort lijstjes natuurlijk kunnen veranderen door nieuwe inzichten en ontdekkingen, blijft de Cairn de Barnenez op de kust van Finistère een indrukwekkend oud gebouw. Als je in de buurt bent zou ik zeker gaan kijken. Je zal niet omvallen van de schoonheid van het bouwsel maar wel van zijn ouderdom en de plaats in het landschap want die zijn beide fenomenaal.
Het oudste gebouw ter wereld is natuurlijk nogal een claim. Bewijs dat maar eens. Hoewel ik geen archeoloog ben weet ik dat dit op verschillende manieren kan waarbij de C-14 methode de meest betrouwbare is. Aan de hand van de halveringstijd van het koolstof 14 isotoop, dat veel voorkomt in organisch materiaal zoals hout, kan precies worden gemeten hoe oud het materiaal is.
De oudste en het grootste

Het oudste deel met drie ingangen die toegang geven tot drie verschillende ruimtes.
Volgens deze methode is Barnenez het oudste gebouw van de wereld. Het is ruim tweeduizend jaar ouder dan de oudste piramide in Egypte, die van Djoser. Daarbij is het niet zo’n klein gebouw want het is ruim 75 meter lang, 25 meter breed en 8 meter hoog. Het is daarmee bijna anderhalf keer langer dan bijvoorbeeld het Paleis op de Dam dat toen het werd gebouwd in de zeventiende eeuw gold als één van de grootste gebouwen van de wereld. Hiermee is Barnenez niet alleen het oudste gebouw van de wereld, het is ook het grootste uit het neolithicum in Europa.
Best indrukwekkend allemaal en in alle eerlijkheid kwam ik hier pas achter toen ik dit artikel schreef. Sterker nog, ook ons bezoek was redelijk toevallig. Op onze derde dag in Bretagne was het heerlijk weer en we besloten de kust ten oosten van Morlaix te verkennen. Na een uurtje door het prachtige landschap te hebben gereden wilden we er wel even uit en dat was het moment dat mijn oog viel op een bord waarop de archeologische vondst werd aangekondigd.
Je zou denken dat het oudste gebouw van de wereld een joekel van toeristische trekpleister zou zijn. Maar dat valt erg mee. Cairn de Barnenez staat wel op de lijst van het Centre des monuments nationaux maar veel meer erkenning is er niet. Zo staat het bijvoorbeeld niet op het werelderfgoedlijst van de Unesco. Een organisatie met het hoofdkantoor in Parijs en waar Frankrijk duidelijk wel wat invloed heeft aangezien er maar liefst 45 Franse inzending op de lijst. De Mont Saint Michiel, de oevers van de Seine in Parijs en het rechtsgebied van Saint-Émilion; het staat allemaal op de lijst maar het oudste gebouw van de wereld niet. Het is op zijn minst opmerkelijk.
Rustig
Echt veel erkenning is er dus niet en de plek zelf is dan ook een oase van rust en dat is eigenlijk niet erg. Er is een kleine parkeerplaats waar slechts één auto en een toeringcar stonden toen wij arriveerden. De bus stond er blijkbaar niet om een lading toeristen op te halen want op het moment dat wij de auto op slot deden vertrok hij leeg.
Het gebrek aan aandacht wil niet zeggen dat het niet verzorgd is, integendeel. Er is duidelijk een architect bezig geweest om het entreegebouw in stijl te ontwerpen en dat is gelukt. Het gebouw is niet zo heel groot maar modern en netjes en naast een verveelde medewerker en wat toeristische prullaria omvat het een aardige maquette van het oude gebouw zoals het ooit geweest moet zijn.
Mooie plek

Mosselbanken in de Baai van Morlaix.
Na een korte wandeling sta je op een enorm grasveld met in het midden de Cairn de Barnenez. Of je nu geïnteresseerd bent in prehistorie of niet, het ligt daar prachtig in het landschap. Het mausoleum ligt op de hoogste plek boven de baai van Morlaix en dat zorgt voor mooi panorama. Ook ruim 68 eeuwen geleden heeft hier een architect goed nagedacht over de plek van zijn werk.
We hebben ook ruim de tijd genomen om van het landschap te genieten. Vooral het uitzicht op de baai is niet alleen mooi maar ook leuk. Het zijn talrijke details om te ontdekken; er zijn bootjes, eilandjes, kliffen, stranden, mosselvissers, etc.
Niet mooi, wel heel indrukwekkend
De Cairn zelf is groot maar echt mooi kan ik het niet vinden. Indrukkend is het echter wel. Het oudste gedeelte is tussen de vierhonderd en zeshonderd jaar ouder dan het nieuwe deel. Hoewel de vorm misschien niet zo aanspreekt als een piramide is het een geweldige prestatie om een gebouw van deze omvang zo lang geleden neer te zetten. Het vereist toch een goede organisatie, planning en bovendien technologie. Je kunt je afvragen hoeveel gebouwen in het huidige Nederland over een kleine zevenduizend jaar nog staan. Niet veel schat ik en van veel gebouwen hoop je eigenlijk dat ze sneller zullen verdwijnen.
Hoewel er veel vragen zijn over Cairn de Barnenezis is de functie duidelijk want die is namelijk hetzelfde als die van de piramides en hunnebedden; het is een praalgraf. Voor wie precies is niet duidelijk en daar komen we waarschijnlijk ook nooit achter. Maar het is niet onmogelijk dat het voor meerdere personen is gebouwd aangezien er maar liefst elf kamers zijn.
Het feit dat het complex na eeuwen is uitgebreid en dat er rondom het gebouw allerlei voorwerpen zijn gevonden uit het derde millennium voor Christus wijst erop dat het nog eeuwenlang dienst heeft gedaan. In welke vorm precies en of het continue het geval was, weten we niet maar indrukwekkend is het zeker.
Steengroeve

In de twintigste eeuw werd de Cairn gebruikt als steengroeve en dat is nog altijd goed te zien.
Het had trouwens niet veel gescheeld of de hele boel was er niet meer geweest. Na eeuwen braaf onder de grond hebben gelegen was het uiteindelijk in twintigste eeuw bijna verdwenen. Je zou denken dat er in de vorige eeuw wel netjes werd omgegaan met zaken uit het verleden maar dat is helemaal niet waar. In West-Europa zijn er met name in de laatste honderd jaar op enorme schaal historische gebouwen verwoest. Veel meer dan alle eeuwen daarvoor.
In dit geval was het niet eens expres. Het terrein was in particuliere handen en het hele gebouw lag onder een laag puin. Toen werd ontdekt dat onder het puin keurige stenen lagen was de steengroeve ‘open for Business’. Zonder dat men het wist werd het oudste gebouw van de wereld in stukjes verkocht als steen.
In de jaren vijftig werden de eerste kamers blootgelegd en kwam het besef dat hier toch iets bijzonders in de grond lag. Niet lang daarna werd de stenenbusiness gesloten om plaats te maken voor de archeologen. Die hebben het gebouw helemaal bloot gelegd en zo is het nu nog steeds.
Het deel dat voor de steenwinning is gebruikt is nog altijd goed te herkennen. Dat is volgens mij een goede zaak want het laat zien hoe kwetsbaar een prehistorisch monument kan zijn en dat je niet religieuze scherpslijpers nodig hebt om historische waardevolle plekken te slopen. En er zit nog een goede kant aan want omdat een deel van het dak is verdwenen kun je nu ook goed zien hoe het gebouw oorspronkelijk is gebouwd.
De naam Cairn is trouwens uitstekend gekozen want het betekent in in het Iers ‘Een berg stenen’. En dat is het feitelijk ook. Maar wel een berg geordende stenen, de oudste met mensen handen gemaakt en dat is meer dan indrukwekkend, ook al lijkt niemand dat wat te schelen. Ga er heen als je er in de buurt bent, nu het er nog rustig is.
Video van Le Cairn de Barnenez
E-Magazine
Kaart van Le Cairn de Barnenez en omgeving
Les plus beaux villages de France weergeven op een grotere kaart
In de buurt van Le Cairn de Barnenez
Huelgoat – dorp aan het meer in het oerbos van Bretagne ***

Huelgoat ligt aan een meertje en heeft een boulevard met leuke tentjes die ook op een regenachtige dag een gezellige indruk maken.
We werden aangenaam verrast door de gemoedelijke sfeer op het dorpsplein met een aardig kerkje uit de zestiende eeuw. Helaas was deze dicht en de kleine boulevard langs de oever van kleine meer beviel ons ondanks de regenachtige dag uitstekend.
Voor de verandering had ik deze trip niet voorbereid en mijn partner was deze keer de reisleider. Volgens haar was hier een bijzonder wandelpad met enorme rotsformaties. Hoewel de sfeer in het dorp mij aansprak, had ik vanuit de auto het pad nog niet gezien en was ik dus een beetje sceptisch. Maar ik bleek helemaal fout te zijn en ze bleek meer dan gelijk te hebben.
Het betreffende wandelpad begint naast de brug naast de watermolen en is direct leuk. De route leidt langs, over en onder enorme rotsblokken en deed mij denken aan le Sidobre bij Castres. Daar zijn de stenen nog groter maar hier is en intiemer en zijn ook nog eens grotten en die de pret groter maken.
‘La grotte du Diable’

De enorme rotsenpartijen in het bos zijn indrukwekkend en er heerst een bijzondere sfeer.
De eerste grot die je tegenkomt is de duivelsgrot of ‘La grotte du Diable’ en dat laatste klinkt toch wel iets heftiger. Dat is niet heel erg maar het is toch wel leuk. Na enig klauterwerk sta je in een donker hol waar onder je het water hard onder je door hoort stroment. Het is dan ook wel aan te raden om een mobiel bij je te hebben met een volle batterij zodat je licht hebt. Met 12 procent weigerde mij telefoon licht te geven. Gelukkig had mijn reisleider het beter voor elkaar.
Na deze grot gaat de route weer verder langs de rotsblokken. Hoewel niet echt moeilijk is het voor mensen die slecht ter been zijn niet aan te raden en ook slippers kun je beter thuis laten. Hier heb je het idee dat je al midden in het bos bent loop je feitelijk achter het dorp langs. Dat wordt je ook ineens duidelijk als je een openluchttheater passeert.
Bos voor elfen en kabouters
De enorme stenen, de bomen en de planten met hun bloemen geven het gevoel alsof je op de set loopt van Avatar of Lord of the Rings. Deze plek wordt in de folders ook omschreven alsof je het gevoel hebt dat je elk moment kabouters en een elf tegen het lijf kan lopen. Dat lijkt misschien iets overdreven maar als je er bent geweest snap je wel welk gevoel je zo proberen te omschrijven.

De Roche Tremblante ligt halverwege een heuvel. Hier laat een Galliër de 10 ton wegende steen wiebelen.
Even verder is een bos pad en kom je nog een grot tegen. Iets minder spectaculair als de eerste maar nog altijd de moeite waard om even te bekijken. Daarna kom je op een splitsing waar je verder het bos in kan over een pad naast het riviertje of langs een eettentje naar een heuvel.
Wij namen het bospad waar het water naast je in het riviertje lekker kabbelt op weg naar het meertje bij het dorp. Hier zijn nog wel grote stenen maar minder enorm dan eerder en er zijn tal van plekjes waar je lekker kan zitten om van de sfeer te genieten. Een uitstekende plek voor een picknick waar je bij warm weer ook nog eens de voeten kunt koelen. Er hangt hier een magische sfeer dat nog eens werd onderstreept door een vrouw die haar yoga oefeningen deed. Ik heb daar weinig verstand van maar dit leek mij wel een goed plekje.
Een paar honderd meter verder werden wij echter overvallen door een heftige hoosbui wat ons deed besluiten om terug te keren naar het dorp. Ook voor de yoga-vrouw was het hemelwater te veel want ze was verdwenen. Misschien was het voor zo’n West-Europees oerbos iets te veel oosterse invloed en liet Taranis het regenen en donderen.
Roche tremblante

De watermolen.
Echt boos moet de Gallische god niet zijn geweest want toen wij het eerder genoemde eettentje passeerden hield de donder op. We wilden nog wel even de heuvel zien want daar moest iets bijzonders zijn. Het bleek een rotsblok van van 10 ton die nogal wankel halverwege de heuvel ligt.
Het gevaarte precies ligt zo dat een mens hem aan het wankelen kan brengen. Dat was ook precies wat een belegen Frans sportschooltype aan het doen was. Op zijn aanbod om zijn plek in te nemen heb ik maar bedankt, dat laat ik liever aan de Galliërs over.
Roscoff – heerlijk havenstadje in Bretagne ***
Vervolgens ging iedereen naar het strand waar een mooie vuurwerkshow werd gegeven. Het vuurwerk was, zoals altijd in op de Franse feestdag, prima maar het was vooral de plek aan de baai die het bijzonder maakte. Ben je in de buurt op 14 juli, dan is dit echt een aanrader.
Kapelletje van Sainte-Barbe
Tussen het strand van Sainte-Anne en Roscoff ligt de witte kapel van Sainte-Barbe. Het ligt bovenop de rots en vanaf hier heb je één van de mooiste uitzichten op de baai. Het gebouw zelf is somber en niet overmatig interessant, het gaat om het uitzicht en die is top. Toen wij er waren stonden er in de tuin leuke moderne beelden die we ook in het stadje zelf tegen waren gekomen. Het is mij niet duidelijk of dit een tijdelijke tentoonstelling was. Vlakbij het kerkje is ook de aanlegplaats van de ferry naar Engeland en Ierland en dat is ook altijd leuk om te zien.
Haven
Maar het mooiste gedeelte is het stadje zelf en dan met name de haven. En die was bij aankomst leeg; niet de boten maar het water was weg. Voor mij was dat de eerste keer in Bretagne dat ik het verschil in getij in Bretagne meemaakte, en dat is indrukwekkend.
In Nederland hebben wij natuurlijk de Waddenzee die helemaal leeg loopt. Toch is het verschil daar tussen hoog en laag water over het algemeen niet veel meer dan twee meter. Toen ik dit artikel schreef vroeg ik mij af waar het grootste verschil tussen hoog en laag water in Nederland is en dat bleek in Vlissingen met bijna drie meter.

De haven van Roscoff valt bij eb volledig droog. Links ligt een prachtige platbodem uit Amsterdam.
‘Waar is het water nou?’
Hoewel dat best een groot verschil is lachen ze daar in Bretagne om. Daar is het verschil tussen hoog- en laagwater namelijk tussen de acht en twaalf meter en daarmee is het grootste getijde verschil in Europa. Dat had ik mij dit niet zo gerealiseerd voordat we naar dit deel van Frankrijk afreisden en stond daarom een beetje vreemd te kijken toen ik het in het haventje van Roscoff de boten allemaal droog zag liggen.
Het grote verschil tussen hoog- en laagwater zagen we later tijdens onze week in Bretagne vaker maar het bleef indrukwekkend. In nabijgelegen Morlaix reden we langs de rivier die helemaal was leeggelopen. Voor de jachthaven was een sluis waardoor de bootjes als badeendjes in een badkuip dobberden.
Zo’n groot verval is spectaculair om te zien maar het heeft zijn prijs. Zo’n droogvallende zeebodem bevat veel leven en die zijn hier niet allemaal berekend. Dood of levend verspreidt het zeeleven een zekere geur die niet iedereen als aangenaam zal worden ervaren.
Gezellige straatjes en winkels

Het centrum van Roscoff heeft gezellige straatjes met leuke winkels en restaurants.
Maar goed terug naar Roscoff. De haven was leeg en er lagen verschillende boten op de bodem van de haven. Eén daarvan was een prachtige platbodem uit Amsterdam. De bemanning was kennelijk bewust dat een afvaart er voorlopig niet in zat en hadden blijkbaar de tijd genomen om het stadje te verkennen. Een verstandige keuze.
Het centrum is bijzonder mooi en heeft prachtig granieten huizen waar ook nog eens leuke winkeltjes en boetiekjes zijn te vinden. En wie is uit gewinkeld kan altijd even een kijkje nemen in de gotische kerk die later is voorzien van een renaissance versie van een typische Bretonse toren. Dat de kerk is betaald door reders is te zien aan de versiering van karvelen en andere boten. Binnen is een aardig altaar van het Heilige Hart te bewonderen met versieringen die erg Engels aandoen.
Île de Batz
In de haven kun je het veer naar Île de Batz nemen en dat is een leuk uitje. Het eilandje ligt vlak voor de kust en is bereikbaar met een boottochtje van een minuut op vijftien. Het is dus niet ver maar naar het eiland zwemmen is niet verstandig want de stroming is hier bijzonder sterk waardoor je waarschijnlijk ergens bij Bordeaux weer aan land komt.

De pont naar de Île de Batz vertrekt bij laag water vanaf het einde van de pier.
Bij eb vertrekt de boot vanwege het gebrek aan water niet vanuit de haven maar vanaf een op het einde meer dan vijfhonderd lange pier. En je hoeft per se de boot te nemen om hierover te wandelen en dat is vanwege het mooie uitzicht een aanrader.
Natuurlijk heeft het stadje een vuurtoren en die net als die op het eiland is die in juli en augustus te beklimmen. Tevens is er een exotische tuin waar meer dan drieduizend planten zijn te bewonderen.
Naast een haven is Roscoff een tevens kuuroord. Al in de negentiende eeuw kwamen hier huidpatiënten kuren in baden van zeewier. En dat doen ze hier nog steeds. Aangezien we geen problemen hebben met onze huid hebben we dit fenomeen maar gelaten voor wat er is.
Het eerder genoemde strand is wel een bezoek waard. De ‘Gulf Stream‘, een warme stroom uit de Caribische zee, voert langs de kust en dat geeft Roscoff een aangenaam en gematigd klimaat. Ze zeggen dat het hier nooit vriest en dat kan best kloppen wat het zeewater heeft een prettige temperatuur.
Johnnies
Het gebied rondom Roscoff staat bekend om zijn uien. Hoewel wij vooral artisjokken hebben gezien worden hier al eeuwenlang uien verbouwd. Deze werden oorspronkelijk gebruikt als voedsel voor de scheepsbemanning want uien zijn lang houdbaar en bevatten veel vitaminen en voorkomt zo scheurbuik. In de negentiende eeuwen begonnen uienboeren hun waar ook in Engeland te verkopen.
Ze lieten zich met een flinke voorraad uien en een fiets overzetten naar de andere kant van het kanaal en verkochten hun waar van deur tot deur. Daarbij waren ze soms weken van huis. In Engeland waren ze geliefd en kregen de bijnaam Johnnies.
Deze Bretonse boeren uit Roscoff en omgeving op hun fietsen, gestreepte truien en uien om de nek werden zo het stereotype Fransman in Engeland. Ik ken ze vooral uit Allo Allo de Engelse piloten zich verkleedden als uienverkopers om aan de aandacht van Herr Flick te ontkomen maar in Roscoff is er een heus museum over deze uienverkopers.
Peyrusse-le-Roc: prachtig spookstadje vol ruïnes in de Aveyron ****
Aveyron; schatkamer van dorpen
Ondanks dat we op minder dan twee kilometer van Peyrusse-le-Roc een gite hadden, best een leuke overigens, bezochten wij Peyrusse-le-Roc pas op de laatste dag. Zo gaat het vaak als je ergens vlakbij woont; je ontdekt pas laat hoe leuk het is. Nu waren we bij aankomst al door het dorpje gereden en we hadden al een paar keer het afval weggebracht maar van een echt bezoek was het nog niet gekomen.

Het dorp ligt op een bergkam en heeft aan twee kanten een prachtige uitzicht op het landschap.
Niet zo gek want de Aveyron is een streek waar ze de mooie dorpen zo’n beetje hebben uitgevonden waardoor we het maar druk hadden met het bezoeken van andere dorpen zoals Belcastel, Najac en Conques. Met al dat moois om je heen vergeet je al snel dat er om de hoek een geweldig dorp ligt.
Na een extreme warme week besloten we het de laatste vrijdag wat rustiger aan te doen. De warmste dagen waren voorbij en aan alles voelde je dat er een storm op komst was. Na een uurtje in de tuin van onze gite vroegen we ons toch af of we toch niet iets moesten gaan doen nu het nog droog was. En dus gingen we toch maar even een kijkje nemen in het dorp waar we officieel een week te gast waren en dat viel helemaal niet tegen.
Op een bergkam tussen groene valleien

De Office du Tourisme was dicht maar er staan voldoende wegwijzers om niet de weg kwijt te raken.
Het huidige Peyrosse-le-Roc ligt op een pas tussen twee prachtige groene valleien. De huizen zijn bijna allemaal gebouwd in de achttiende eeuw en het geheel ademt een gemoedelijke zuidelijk sfeer.
Zoals vaak parkeerden wij de auto rond lunchtijd. En ondanks dat we in onze gite nog een gebakken ei hadden genuttigd, kregen we het moeilijk bij het passeren van het plaatselijke café. De geluiden, de geur en de gezelligheid van het terras wezen erop dat de lunch aanstaande was en dat was aanlokkelijk.
Opvallend detail daarbij is dat een groot deel van het terras zich bevindt in de tuin van de burgemeester, die, volgens het bord op het hek, tevens de historicus van het dorp is. Een prachtige titel natuurlijk die je in Nederland dat niet zo snel op een bordje zal zien.
Pleintje bij de kerk
De charmante straatjes leidden ons gelukkig van de aanstaande lunch af waar we terechtkwamen op een vriendelijk pleintje naast de kerk. Een kerk nodigt altijd uit om even te bestuderen. Het betreft hier een vrij sobere versie met boven de entree een interessant beeldje van Maria met kind. Ook binnen is de kerk niet erg uitbundig maar het loont toch de moeite om even naar binnen te lopen.
Dit gedeelte van het dorp was niet helemaal nieuw voor ons want bij het wegbrengen van het afval konden wij de nieuwsgierigheid niet konden bedwingen en waren we even kort door het dorp gelopen. Een groot bord bij de eerder genoemde poort had ons toen al duidelijk gemaakt dat er hier meer was te beleven.
Op het pleintje was die avond één jongetje aan het voetballen. Een beetje jammer en ik stelde mij voor dat er verder geen leeftijdgenootjes in het dorp waren die met hem een balletje konden trappen. Deze gedachte werd nog eens onderstreept omdat hij zo nu en dan de bal met enige frustratie de bal hard en hoog tegen de kerk aantrapte. Nu ben ik geen gelovig man en ik vind dat de jeugd de ruimte nodig heeft om hun sportieve ambities te kunnen ontwikkelen, maar om daarvoor een eeuwenoude kerk daarvoor op te offeren gaat mij toch aan het hart. De kerk kon het wel hebben, bleek.

De poort in het dorp markeert de plaats waar in de middeleeuwen een burcht stond waar de stad en omgeving vanuit werd geregeerd.
Toen ik twee dagen later ik de kerk nog eens goed van buiten bekeek zag ik ineens dat de toekomst van het jongetje niet in de Europese stadions lag. Zijn voetbal lag namelijk op een vensterbank van een hoog venster in de klokkentoren gespietst op de stekels die duiven moet beletten te landen op het monument. Terwijl ik mij afvroeg of dit nu terecht was of niet werd ik afgeleid door een schilder die op de eerste etage van het huis tegenover de kerk een schilderij aan het maken was. Kerk, kasteel, pleintje en een kunstenaar; dit is een Frans dorp éénentwintigste eeuw!
Even verder op het plein is de Office du Tourisme te vinden waar je voor een klein bedrag een audiotoer met kaart van het dorp kan kopen. Natuurlijk was hij gesloten want het was lunchtijd. Veel maakt het niet uit want de route naar het middeleeuwse stadje, of wat er van over is, staat goed aangegeven.
Zilvermijnen
Peyrusse-le-Roc was namelijk aan het einde van de middeleeuwen een redelijke stad met meer dan 3500 inwoners. In deze streek is dat nu al een flink dorp maar zeker in de dertiende eeuw was dat groot. Naast de strategische ligging was de aanwezigheid van een zilvermijn de reden waarom het hier een bedrijvige boel moet zijn geweest.
Deze mijnen werden al in de oudheid geëxploiteerd maar pas in de achtste eeuw voor het eerst genoemd toen Pepijn de Korte, gezien zijn bijnaam vreemd genoeg de vader van Karel de Grote, Peyrusse probeerde te veroveren.
Verlaten stad

De kerktoren van de kerk is oorspronkelijk gebouwd als een toren van het kasteel. Het is één van de weinige overbleven onderdelen van het verdedigingswerk. Als je goed kijkt ligt er een voetbal op de vensterbank voor de zuil tussen de twee onderste ramen.
De stad was in de zeventiende eeuw over zijn hoogtepunt heen toen langzaam maar zeker het zilver uit Amerika werd geïmporteerd. Rond 1700 was het klaar en kort daarna wisselden de laatste bewoners de benedenstad in voor het huidige dorp op de heuvel. De stad verloor haar bestuurlijke functie, de plaatselijke baljuw zetelde hier, en werd in bezit genomen door de natuur tot dat een aantal jaar geleden werd besloten om de ruïnes toegankelijk te maken voor het publiek.
Het plein naast de kerk was ooit onderdeel van het kasteel dat hier stond. Alleen de eerder genoemde poort en de toren van de kerk zijn nog overblijfsel van de burcht. De stad zelf had zijn eigen verdedigingswerken en dat is ook het eerste wat je ziet als je afdaalt.
De twee torens van Roc de Thaluc
Vlak na het verlaten van het dorp sta je op een terras met een prachtig uitzicht op een twee torens op een enorme rots. Het geheel heet Roc de Thaluc en doet denken aan het aan Lord of the Rings film. Wie wil kan via drie steile trappen, ladders bijna, de torens nader bekijken. Dat is minder eng dan het lijkt maar voor mensen die minder goed ter been zijn zou ik het niet aanraden.

De twee torens van Roc-de-Thaluc staan op een 150 meter hoge rots en domineren de omgeving. Je kan er met een steil trap komen.
De torens geven een beetje een beeld dat hier een belangrijk stadje was dat verdedigd moest worden. Het schijnt dat de hele stadje ommuurd is geweest en dat lijkt mij niet onwaarschijnlijk aangezien Frankrijk in de late middeleeuwen werd geteisterd door gewapende conflicten zoals de Honderdjarige Oorlog.
Als je verder afdaalt duik je als snel een bos in waar een aantal zaken met betrekking tot de mijn zijn te bewonderen. Daarna kom je bij een splitsing met een oude donjon dat ook deel uit maakte van de verdedigingswerken van de stad. Ook kom je langs een praalgraf uit de veertiende eeuw dat nu goed is beschermd tegen de elementen en toeristen. Het staat bekend als het graf van de koning maar het was mij niet duidelijk wie er in heeft gelegen.
Ruïne van kerk
Indrukwekkend wordt het als je de overblijfselen van de kerk ziet. De ruïne is duidelijk te herkennen als kerk met zijkapellen en bogen maar het overgrote deel van dit religieuze bouwwerk is verdwenen en overgenomen door de natuur. Het lijkt mij niet onwaarschijnlijk dat het in de achttiende eeuw is gebruikt als steengroeve bij de bouw van het huidige dorp.
Toch is dit bijna een magische plek omdat het wel duidelijk wordt onderhouden maar toch ook helemaal verwilderd. Ik ben in Engeland ooit in Fountains Abbey geweest, een verwoest klooster, en daar hing een beetje dezelfde sfeer.

De ruïne van de oude kerk is een bijzondere plek waar de natuur bezit heeft genomen van het gebouw.
Bijzonder is ook de synagoge die tegen de kerk is aangebouwd. Nu is het niet veel meer dan vier muren maar de kennis dat in dit kleine gebouw ooit Joodse eredienst is gehouden is wel bijzonder. Zeker omdat je in Frankrijk sowieso weinig Joodse gebouwen ziet.
De laatste grote ruïne is een oud ziekenhuis genaamd Hôpital des Anglais. Waarom het zo heet ben ik niet achter gekomen maar het is een enorm gebouw dat dienst deed als ziekenhuis. Dat zie je wel meer bij mijnsteden want ook in Elzas bezochten we een oude mijn waar en ook daar was een ziekenhuis. Daar werd verteld, en ik ga er vanuit dat ze hier goede bronnen voor hebben en dus waar is, dat elke mijnwerker in de zestiende eeuw een deel van zijn opbrengst afstond aan het ziekenhuis. Een voorloper van een ziektekostenverzekering waar ze in Amerika nog steeds mee worstelen.
Helemaal beneden sta je vrij plots bij een bergbeek waar een nog een brug en een kapel in opvallende goede staat. Deze heet de Notre-Dame-de-Pitié en is in de negentiende eeuw helemaal herbouwd. Helaas is hij niet open. Bij plek bij de beek is samen met het begin van de wandeling bij de torens een perfecte plaats voor een picknick.
Zeker op warme dagen biedt het stomende water ook nog eens verkoeling. Wees wel een beetje zuinig met de wijn want om terug te komen naar het dorp moet je nog flink klimmen. Je kan deze wandeling doen op slippers, maar je doet er goed aan om je schoenen aan te doen.
Voor de wandeling naar boven volg je het zelfde pad omhoog maar sla je bij de donjon af. Dit pad leidt je langs nog een oude poort waar tegenwoordig weer gewoon mensen wonen. Daarna is het even zoeken en volg een pad links terug naar het dorp. Dit is best steil en je hebt het idee dat je door iemands tuin loopt maar uiteindelijk sta je aan het begin van de straat. Nog even klimmen en dat dat je weer bij de uitnodigende dorpskroeg. Na een stevige klim is een koel drankje wel een verdiende beloning.








Rogier Swagerman
Rogier Swagerman
Rogier Swagerman